Skip navigatie

Inhoud

Les 3: geloofsopvoeding

Home > Doopcatechese > Les 3: geloofsopvoeding


Handelingen 8, 12
Maar toen ze Filippus gingen geloven, die hun de goede boodschap bracht van Gods koningschap en de naam van Jezus Christus, lieten ze zich dopen, mannen zowel als vrouwen.

Korte uitleg: Deze tekst laat zien dat doop en verkondiging bij elkaar horen. Bij de doop van een volwassene gaat de verkondiging van de goede boodschap vooraf aan de doop. We noemen deze periode het catechumenaat: de doopleerperiode. De catechumeen is de doopleerling. Traditioneel wordt deze periode afgesloten met de doop van de doopleerling in de paasnacht. Ook als er geen doop plaatsvindt in de paasnacht, staat de doop centraal in de paasnacht, namelijk doordat in de paasnacht tijdens de viering de doopbelofte wordt hernieuwd.

Bij de doop van een kind ligt de volgorde vanzelfsprekend anders: eerst de doop, en vervolgens de (geloofs)opvoeding. Deze derde les staat de geloofopvoeding centraal. We willen niet op de eerste plaats kijken naar jullie ideeën daarover. In plaats daarvan gaan we het hebben over jullie eigen (geloofs)opvoeding.

Opdracht: We gaan het nu hebben over geloofsopvoeding. We doen dat door terug te kijken naar je eigen jeugd. Denk eens terug, en ga eens na wat je voor waardevolle dingen hebt meegekregen. Noem telkens wat je hebt geleerd en van wie of wat, of waardoor?

Hieronder kun je de antwoorden lezen die door ouders zijn gegeven op deze vragen. Als je wilt kan je meedoen door daar je eigen antwoorden aan toe voegen. Zet bij wat je geleerd hebt ook telkens van wie of wat, of waardoor.



Instructie: Zoals je aan de antwoorden hiernaast kunt zien gaat het bij geloofsopvoeding om heel veel dingen. Om normen en waarden als eerlijkheid en solidariteit, om houdingen als vertrouwen in het leven, verantwoordelijkheid voor medemensen, maar ook om kennis van bijbelverhalen, van hoe het er in de kerk toegaat, of om een bepaalde praktijk als bidden, naar de kerk gaan, enzovoorts.

Verder kan je lezen dat daar een grote groep mensen en instanties bij betrokken zijn. Allereerst natuurlijk jijzelf als ouder. Vanzelfsprekend spelen ouders de belangrijkste rol als het gaat om geloofsopvoeding. Die verantwoordelijkheid kan een hele last zijn. Maar het kan je misschien een beetje geruststellen als je ziet dat je niet alles zelf hoeft te doen. Grootouders en andere familieleden zijn er ook nog. En de school, de parochie helpen ook mee. Je hoeft ook niet altijd alles zelf te vertellen.

Bij geloofsopvoeding hoort ook dat je je zoon of dochter in contact brengt met andere mensen, of andere instanties waar het dingen kan leren. Door bijvoorbeeld een goede kinderbijbel in huis te hebben, die past bij de leeftijd van je kind. Of door het op een school te doen waar iets aan godsdienstles of levensbeschouwelijk vorming gedaan wordt. Of door het mee te nemen naar de kerk. Wat ook helpt is als je thuis ritueeltjes instelt, als bidden voor het eten, of het lezen van een stukje uit de (kinder)bijbel. Dat is misschien niet altijd even gemakkelijk, en het vraagt ook om enige gewenning. Maar het zijn de kleine dingen die je kind bij blijven, die jezelf misschien ook zijn bij gebleven uit je eigen jeugd.

Van groot belang is verder dat je leert open gesprekken te voeren met je kind. Dat klinkt misschien ingewikkeld, maar dat is het niet. Je moet alleen leren om open vragen te stellen. Dus niet suggestieve vragen als "jij vindt spelen met barbies zeker wel leuk, hè", maar vragen als "Wat vind je leuk om mee te spelen". Een ezelsbruggetje is dat je een goede open vraag niet kan beantwoorden met ja of met nee. Het is een uitnodiging voor een gesprek. Kinderen willen maar wat graag van alles vertellen, als je ze daarvoor maar de ruimte geeft.

Het allerbelangrijkste in (geloofs)opvoeding is natuurlijk dat jijzelf vertrouwen in God, de mensen en de wereld om je heen uitstraalt op een manier die voor je kind herkenbaar is.

Ga door naar les 4